You become what you think

Al 25 jaar glinstert er, bij iedere nieuwe poging om van mijn psoriasis af te komen, een sprankje hoop in mijn wezen. Die hoop is mijn strohalm. Ik klamp me eraan vast, duid elk teken als een stap op weg naar verbetering. Als na de behandeling het gewenste resultaat uitblijft, val ik terug in een dal, doordrenkt van mijn machteloosheid, teleurstelling en verdriet.

 

Er sluipen oude gedachtes mijn hoofd binnen:

“Mijn huidziekte heeft een eigen leven en wil.”

“Ik geloof niet dat mijn lijf de kracht heeft om – zelfs met hulp – zichzelf te genezen.”

“Gadverdamme, wat is die huid lelijk.”

“Ook al bid ik zo vaak om genezing, mijn gebed wordt niet gehoord.”

Dan doe ik het liefst ’s middags een dutje, weggekropen onder het dekbed en ver weg van de buitenwereld. Mijn binnenwereld eist al mijn aandacht op.

 

Uiteindelijk neemt een andere gedachte weer de overhand. “Ik geloof dat de ziekte die ik ooit heb gekregen, ook weer genezen kan worden. Als ik me niet alleen bezighoud met de symptomen, maar met de onderliggende stroom van mogelijke oorzaken, komt als vanzelfsprekend de genezing.”

 

Mocht ik weer eens van mijn geloof zijn gevallen, dan lees ik graag boeken. Over spontane of wonderbaarlijke genezingen. Over lotgenoten die zijn beproefd in engelengeduld en vele bodems van diepe dalen hebben ontmoet. Of ik probeer mijn geloof te sterken door bezoekjes aan de bedevaartskerk in Heiloo. Voor een meditatieve wandeling, een gebed. Ook versleep ik flessen gevuld met water uit de heilige bron op mijn fiets naar huis.

 

Als beide gedachtes geen voldoening geven, denk ik: “Is acceptatie dan misschien de weg?” Moet ik gewoon maar denken: “Je hebt nu eenmaal deze ziekte. Je bent de ziekte niet!”

 

Mijn gedachtes zijn al jaren met elkaar in een duel verwikkeld. De zwaarden zetten kracht bij door op het scherp van de snede te slaan. Het wapengekletter overstemt mijn gevoel, de rake steken van mijn doemgedachtes benemen mij de adem, de hoop wankelt op haar voeten door de venijnige slagen van machteloosheid en schuld.

 

Het zwaard van geloof zit diep in het handvat beklonken. Een zwaard dat stevig in de hand ligt.

 

Gedachtes dat de huidziekte een eigen leven en wil heeft, lijken deels in het handvat maar vooral in het zwaard vastgeroest te zitten. Dit zwaard heeft een lichte slag. En bij iedere klinkende slag dwarrelen stukjes roest op de grond.

 

Het zwaard van acceptatie staat meestal onwrikbaar en stevig gefundeerd met zijn punt in een rots. Ooit heeft iemand hem daar stevig ingeslagen.

 

En zo slaan de zwaarden jarenlang hun duel om hun gelijk. Zelfs na een ontelbaar treffen is er geen echte winnaar aan te wijzen.

 

Bij uitzondering – als ik mij van niets bewust ben – is het mij zomaar gelukt, zonder enige moeite, om het zwaard van acceptatie uit de rots te trekken. Niet omdat ik de aanwezigheid van mijn huidziekte volledig accepteer, maar omdat ik die op dat moment gedoog. Dan steek ik het zwaard triomfantelijk in de lucht. De zon weerkaatst zijn licht. En ik geniet, met volle teugen.

Dit bericht is geplaatst onder .